Voedselplanten

In de Oudheid werden planten voornamelijk geproduceerd in de buurt van de plaats men ze verbruikte. Zo had elke villa een moestuin en een boomgaard die de bewoners van de meeste groenten- en fruitsoorten voorzag. Plinius de Oudere vertelt ons over voedselplanten die gegroepeerd zijn volgens van het deel van de plant dat gegeten wordt:  

  • « Wortel » groenten, zoals rapen en wortelen;
  • « Salade » groenten waarvan de bladeren rauw gegeten worden, zoals de sla;
  • « Spinazie » groenten waarvan de bladeren gekookt worden, zoals de kool;
  • « Jonge scheuten » groenten die verbruikt worden op de wijze van asperges of hoppe;
  • « Fruit » groenten zoals de komkommer, de kalebas, en de meloen;
  • « Graan » groenten zoals peulerwten en linzen;
  • « Artisjok » groenten waarvan de bloemknoppen gegeten worden, zoals de kardoen.

Om gewassen beter te beschermen tegen ongedierte worden verschillende groenten in de moestuin samen geplant op basis van hun respectievelijke affiniteiten. Munt wordt bijvoorbeeld tussen kool gezaaid om deze te beschermen tegen invasies van insecten.

Naast gekweekte groenten oogstten de Gallo-Romeinen een grote verscheidenheid aan wilde eetbare planten ter aanvulling van hun klassiek eetpatroon. Bepaalde voedselproducten werden ook verhandeld en konden in het hele Romeinse rijk aangekocht worden, zoals dadels of olijven.

Auteur: Jean-Luc Mulkens

Afbeeldingen : 

« Associations de légumes dans le potager de Malagne » © Malagne, Archéoparc de Rochefort
(Groenten die samengaan in de moestuin van Malagne)

« Melon au potager » © Malagne, Archéoparc de Rochefort
(Meloen in de moestuin)

« Fruits d’automne » © Malagne, Archéoparc de Rochefort
(Herfstfruit)

Gallo-Romeinse champignons

De Romeinen hielden van paddenstoelen. De bekendste waren de amaniet van Caesar (die uitsluitend voor keizers voorbehouden werden), en de truffel die eveneens door de aristocratische wereld gewaardeerd werd; deze twee paddenstoelen hadden een vrij hoge smaakkwaliteit.

Andere paddenstoelen die door de Romeinen werden gegeten zijn tegenwoordig net zo populair als toen, zoals de Bordeaux-eekhoorntjesbrood.  

Naast eetbare paddenstoelen gebruikte men eveneens soorten ter bestrijding vergiftiging of omwille van hun genezende eigenschappen. Zo is er bijvoorbeeld de Amanita phalloides, een dodelijke paddenstoel die Agrippina gebruikte om keizer Claudius van kant te maken en plaats te maken voor haar zoon Nero; of nog de vliegenzwam die blijkbaar door Keltische genezers zou zijn gebruikt.

Naast het plukken in bossen lijkt het erop dat de Romeinen de teelt van paddenstoelen beheersten, zoals waarschijnlijk champignons en de veranderlijke pholiote.

Bijna alle paddenstoelen werden boleten genoemd. Sindsdien weten we dat de Boletus een heel aparte familie is met haar zeer specifiek karakter.

Gelukkig maar neemt de wetenschappelijke kennis tegenwoordig steeds verder toe, en wordt de technologische vooruitgang in het domein van onderzoek naar paddenstoelen steeds meer geperfectioneerd. Hierdoor kunnen we exemplaren herkennen en rustiger gaan plukken, en vooral de niet voor consumptie geschikte soorten ongemoeid laten.

Spring naar de inhoud